weerzien

De kinderen waren al jaren geleden vertrokken. Ze woonden aan de andere kant van de oceaan en duizenden kilometers en veel geld scheidden hun van elkaar. Ze waren goed met elkaar, maar ze hadden het niet breed en vele jaren was er gewoon geen denken aan dat zij elkaar zouden ontmoeten. Ze hadden helaas geen middelen om de kinderen, hun zoon en schoondochter, te helpen hun leven daar op te bouwen. In sporadische telefoongesprekken vertelden ze dat ze het niet gemakkelijk hebben, maar tevreden zijn in hun nieuwe thuisland. En als de kinderen tevreden zijn, waren ook zij tevreden.

Langzamerhand kwamen er kleinkinderen, een zoon, een dochter en nog een zoon. De fotoos kwamen op de schoorsteenmantel te staan, naast het verlangen de kinderen te zien.

Toch hadden zij zich voorgenomen te sparen. Stiekum, zonder het te zeggen, want het ging erg langzaam. Het pensioen liet niet veel over, maar dan aten ze een hapje minder, of veroorloofden zij zich wat minder “luxe”. Bovendien liet de gezondheid het afweten, maar bij elke cent die zijn in de spaarpot deden, keken ze elkaar aan en wisten beiden waar ze aan dachten. Hun grote wens, hun droom, het weerzien. Eenmaal de kinderen zien, de kleinkinderen. Een omhelzing, een aai over de wang. Ze konden het zich niet voorstellen, want het was al zo lang geleden dat ze bij elkaar waren. Ze waren allemaal zoveel jaren jonger toen, hun zoon was nog een jonge jongeman. En nu reeds van middelbare leeftijd.

Dan kwam de dag dat ze naar het reisbureau konden. Het bleek dat ze een mooi bedrag hadden, wat de vlucht prima dekte en waarvan ze nog overhielden voor cadeau's en wat verblijfkosten. Ze boekten, zes weken. Zes heerlijke lange weken met de zoon en de schoondochter zijn, eenmaal hun huis te zien en dat verre vreemde land waar ze woonden.

Juichend schreven ze en ze kregen onmiddellijk een enthousiaste telefoon terug: wat een verrassing en wat een blijdschap. Jullie bedden staan al opgemaakt.

Het wachten tot de datum van vertrek viel zwaar. Hand in hand, stil van geluk, weten waar elk aan dacht. Nog enkele weken, dagen, uren. En daar was het zo ver. Het leek een droom, was een droom, de koffers, de reis al die mensen, de landing, de warmte, de drukte, de vreemde taal, paspoorten, koffers, het wagentje voor de koffers.

Daar liepen ze, moeizaam. Hij kon met zijn ongecontroleerde houterige bewegingen de kar niet meer duwen. Dat deed zij, langzaam, het was zwaar en zij was ook niet meer zo fit. Hij kon gewoon niet meer wachten, liep met zijn magere beentjes, met pinokkio stappen, armen zwaaiend, niet onder controle, wilde wel rennen, schreeuwen, de naam van zijn zoon roepen. Zijn gezicht schuin naar boven, ook dat hield zich niet meer zoals hij het zelf wilde. Verwachtingsvol, halsreikend, door de deur naar buiten. Zwaaiend, houterig en stijf liep hij naar de mensenmenigte, zoekend met zijn ogen, kijkend tussen al die mensen. Waar zijn de kinderen, zou hij ze herkennen na al die jaren, maar ze hadden fotoos, dus hij moest ze wel herkennen, waar zijn ze. Hij liep langzaam, onzeker, kwetsbaar, zo vol verwachting, zo niet te geloven. En plotseling, was het echt? Was hij dat? Het was zo. Een arm zwaaiend, een grote baard, net als op de foto, een lachend gezicht. Dat was hem. Met de ene arm die hij kon optillen zwaaide hij terug, of wat er op leek. Hij was gelukkig, dat was geluk. Drie passen richting zoon, maar zijn vrouw, zijn vrouw had ze nog niet gezien. Hij keek naar achteren, wees tegen zijn vrouw, daar is-ie, daar is-ie. Trots en blijdschap stroomden door hem heen. Hier was waar hij voor geleefd had, dit was het waard, al die jaren van ontbering, al die jaren van verwachting, afwachting, hopen. Hier waren ze. Een warme omhelzing omvatten zijn schouders en een bebaarde mond kuste zijn stijve gelukkige gezicht.

Comments